Brugge, stad aan het water

11 minuten leestijd

De Reie kronkelt als een slang door Brugge. Al eeuwenlang is ze het kloppende hart van de stad. Doorheen de geschiedenis bepaalde ze handel, kunst, taal en recreatie. Hoog tijd voor een citytrip met stadsgids Jo Berten. Op zoek naar... het verhaal aan het water.

reportage
  • Uitstappen en vakanties
Brugge

Ik kom met de trein aan in Brugge, net als Jan Vandenhove, één van de personages die Jo Berten in zijn boek beschrijft. Onder mijn arm Jo’s boek Brugge, stad van water Om me vol verwondering te laten meeslepen op de stadswandeling. Dat de weergoden het thema water nog wat kracht bijzetten, schrikt me niet af. ‘In regenweer is Brugge op z’n mooist, met de vele weerkaatsingen in het water en op de natte kasseien’, zo krijg ik later te horen van mijn gids. Gewapend met regenjas en paraplu gaan we op pad door één van de mooiste steden van Europa.

‘En dan die serpentine van de Reie, die onvermoeibaar door die kunstige stad meandert en als een lang, uitgerekt, kronkelend uitroepteken de aandacht vraagt.’ Deze zin aan het begin van Jo Bertens boek trekt meteen mijn aandacht. Geen betere plaats om de auteur en stadgids te ontmoeten dan daar waar de Reie de binnenstad binnen vloeit. Op het brugje in het Minnewaterpark treffen we elkaar en ik voel onmiddellijk dat dit een boeiende dag wordt. Jo is een vat vol kennis. En zijn enthousiasme werkt aanstekelijk.

Streepje romantiek

We kijken over het prachtige Minnewater terwijl Jo het tragische liefdesverhaal van de Keltische godin Minna vertelt. Ze werd verliefd op de jonge krijger Stromberg, maar haar vader keurde dat niet goed en stelde een andere geliefde aan voor. Minna liep weg, tot ze van uitputting stierf in de bossen. Toen Stromberg terugkeerde van het front, vervormde hij met zijn hand de Reie. In de diepe put liet hij zijn Minna begraven. Het graf liep onder water en vormt het huidige stuwmeertje: het Minnewater. Na dit streepje romantiek stappen we naar het sashuis, vlakbij het voormalige Minnewaterhospitaal. ‘Dit is hier de Sebrechtsstraat, genoemd naar de gelijknamige chirurg. Oude mensen hebben van die eigennaam een soortnaam gemaakt. Als je aan iemand vraagt of hij of zij gesebrechtst is, dan vraag je of hij of zij geopereerd is’, geeft Jo terloops mee. Het sashuis werd gebouwd in de middeleeuwen en is intussen vervangen door een nieuwer exemplaar.  ‘Om de bodem van het sashuis ooit te versterken, werden zerken van het kerkhof van de dominicanen gebruikt.’ Sinds enkele maanden vindt in dit idyllische gebouw ‘Handmade in Brugge’ zijn onderkomen; een trefpunt voor makers, creatieve ondernemers, jonge starters en bezoekers. Op de muur iets verder zijn nog de indrukwekkende restanten van de gleuf van het sas te bespeuren.

Pieter Lanchals en de zwanen

Vlakbij het begijnhof lijkt het water bezaaid met witte vlokken. Het zijn de zwanen, die zo typisch zijn voor de reien in Brugge. Een legende vertelt waarom ze er gekomen zijn: Pieter Lanchals, raadsheer van Maximiliaan van Oostenrijk, werd in 1488 door de Bruggelingen gemarteld en onthoofd. Maximiliaan zou Brugge, ter vergiffenis van deze gruwelijke daad, verplicht hebben om voor altijd langhalzen - zwanen dus - op de reien te houden. De vogels sieren niet enkel de foto’s van toeristen als aandenken, maar hun eieren worden de laatste tijd ook om dezelfde reden geroofd. Vrouwtjes broeden nu op een geheime plaats.

We wandelen door het begijnhof, de woonplaats van vroegere ‘feministen avant la lettre’. Voor het altaar in de kerk is een Lourdessteen ingemetseld, een verwijzing naar geneeskrachtig water. We verlaten het begijnhof en stappen weer over één van de vele bruggetjes die de stad rijk is. ‘Ik ben hier wel al 1000 keer gepasseerd en dit tafereel gaat me nooit vervelen. Ik blijf genieten van die enorme schoonheid van water in onze binnenstad, zelfs in dit regenweer’, zegt Jo.

Over bier en wijn

Achter de hoek is brouwerij De Halve Maan, gekend van de biertjes De Brugse Zot en Straffe Hendrik. Dit gerstenat stroomt letterlijk onder de stad. ‘Zware vrachtwagens reden hier de binnenplaats op om het bier te vervoeren van de brouwerij in het centrum naar de bottelarij aan het Waggelwater. Dat is verleden tijd, want acht jaar geleden werd onder de stad een pijpleiding aangelegd. Het bier vloeit hier dus letterlijk onder onze voeten door. Dit innovatief project haalde zelfs de internationale pers’, vertelt Jo. Bruggelingen konden aandelen kopen in de pijpleiding. In een mum van tijd waren de kosten gedekt en heel wat Bruggelingen genieten levenslang van het bier. Bij de toegangspoort van de brouwerij is in de grond een deeltje van twee leidingen zichtbaar. ‘Dat is symbolisch, want de pijpleiding zelf is veel dikker dan deze exemplaren hier’, duidt onze gids. De plaats waar het gerstenat gebrouwen wordt, kun je enkel bezoeken met gids. ‘Bier was vroeger de drank van armen. Zij konden zich geen wijn permitteren. De oudste handelsvorm was de invoer van wijn, vooral Loirewijnen. Dit wijntransport over land leverde ook problemen op. Vooral de slechte staat van de wegen zorgde ervoor dat de wijn in de vaten op karren zonder schokdempers soms zuur werd. Niet verwonderlijk dat Orléans, halverwege de Loire en Parijs, een belangrijk centrum voor de productie van azijn werd.’ Op het Walplein wijst Jo ons bij huisnummer 39 op de gevelsteen, net boven het venster. Daar zie je zeer gedetailleerd een afbeelding van een schipper in een sloep die aan- of afmeert met wijnvaten op de wal. ‘Bordeauxwijnen werden over water vervoerd naar Brugge. Wist je trouwens dat de herbergen een bladeren- of groentekrans boven de deur hingen als de nieuwe wijn toegekomen was? Jo geeft me met plezier nog wat sociale context mee bij de uitdrukking ‘Bier op wijn geeft venijn, wijn op bier geeft plezier.’ ‘Dat heeft niets te maken met de spijsvertering, er kan vlot gemengd gedronken worden. Maar vermits bier voor het volk was en wijn voor de rijken, wordt bedoeld dat iemand uit de adel wel kan ‘scharrelen’ met een boerenmeisje, maar een koewachter niet met een barones.’

Van badhuizen tot meisjes van plezier

Van het Walplein stappen we door het kleine Stoofstraatje. ‘Dit was hier de badplaats. De stoof werd aangestoken om het badwater te warmen. Om water te besparen kwamen mensen met het hele gezin naar hier om één voor één een bad te nemen. Later werd deze badplaats echter een plaats waar meiden andere diensten aanboden.’ Aan de muur hangen panelen met oude tekeningen die verwijzen naar deze laatste functie van de badplaats. Na het Stoofstraatje, komen we in de Katelijnestraat, de toeristische ader van de stad. Toch vind je hier ook nog heel wat oases van rust. De godshuizen hier aanwezig, zijn een groene verademing. ‘In Brugge zijn er maar liefst 48 beluiken, godshuizen dus. Vele zijn verborgen parels. Zie de godshuizen als een verzekeringspolis van de rijken. Omdat in de Bijbel letterlijk staat dat een rijk persoon moeilijker door de poort van de hemel komt, toonden ze zich van hun beste kant door huizen voor armen te bouwen. Zo hoopten ze op een plekje in de hemel.’ We nemen een kijkje in de binnentuin van godshuis Spanoghe, dat aan de oever van de Reie ligt. Van daar hebben we een zicht op het voormalige Sint-Janshospitaal, nu het Memlingmuseum. ‘Je ziet dat het water onder het gebouw door gaat. Dit was het luchtverversingssysteem in de tijd dat de pest hier heerste. Kwalijke en schadelijke geuren - want lang was men ervan overtuigd dat pest zich verspreidde via de lucht - wilden ze op die manier zuiveren. Zie je ook die kleine gebouwtjes aan de waterkant? Er wordt gezegd dat de pestlijders door ondergebracht werden, maar dat verhaal klopt niet. Deze bouwwerkjes dateren namelijk uit 1910 en toen was er in Brugge geen pest meer. En ken je de maskers met lange neuzen? Wel, deze gaan terug naar de pestperiode. Stedelingen die zich uit pure liefdadigheid toch bekommerden om de zieken, zetten een zeer spitse, lange neus op. Zo vermeden ze fysiek contact. In de nepneusgaten stopten ze kruiden om de lucht die ze inademden te filteren. Dit voorbehoedsmiddel werd uiteindelijk het carnavalsmasker dat symbool staat voor het vieren van het leven.’

Het plasje van de beiaardier

Wie leefde er dan wel in die kleine gebouwtjes? ‘Niemand! Dat was de stomerij. Het is wel een feit dat de marginalen aan de waterkant leefden. Zo hadden ze geen hulp nodig om zich te wassen’, voegt Jo er nog aan toe. Tussen de huizenrijen in de Katelijnestraat wijst Jo me ook op de brandstraatjes. Vroeger werd er niet met water geblust, omdat dat te kostbaar was. Brandstraatjes beletten dat de vlammen te vlot van de ene huizenrij naar de andere overspringen. Een huis in lichterlaaie werd gesloopt om de brand te verstikken. Hoog in het belfort zaten constant vier man op de uitkijk naar een uitslaande brand. En nu we het toch over water en het belfort hebben: er is ook nog een leuk weetje over het toilet van de beiaardier, hoog in de toren. Het is duidelijk dat die man voor een dringend plasje liefst geen 366 treden afrent. Hij heeft een klein toilet in zijn beiaardierskamer. Probleem is natuurlijk: de spoelbak. Er ligt nu eenmaal geen waterleiding 83 meter hoog. Dit werd hoffelijk opgelost door een vergaarbak voor regenwater te installeren, in de hoop dat het vaak genoeg regent. Bij perioden van droogte werd een beroep gedaan op de vindingrijkheid van de beiaardier. Nu is het toilet er nog en wordt de spoelbak regelmatig bijgevuld door de brandweer.’ Een bezoek aan het belfort staat niet op ons programma. ‘Wil je de stad vanuit de hoogte zien en een mooi zicht hebben op de Reie, dan is een bezoekje aan het torentje van het Historium een aanrader. Geen file en op maat van iedereen’, geeft Jo nog mee.

Geschiedenis met een geurtje

We vervolgen onze weg richting Rozenhoedkaai en houden halt op een iconische plaats. We kijken naar de plek waar de Reie onder de stad duikt. Hier hebben we een mooi zicht op zowel het belfort, de Bloedkapel, hotel Duc de Bourgogne en het Huidevettershuis. De Reie verbergt zich over een afstand van 400 meter onder de historische stad. We kijken naar het water en genieten van het mooie plaatje. Jo wijst me op de trap net voor het Huidevettersplein: ‘Dat zijn nog middeleeuwse trappen. Vroeger werd hier stokvis aan wal gebracht in rieten manden’. De vis kon een kwalijk geurtje met zich meebrengen, net als de leerlooierij. Als je op het Huidevettersplein goed zoekt, zie je in een gevel een beeldje met een mannetje dat zijn neus optrekt. We komen aan de Vismarkt en werpen een blik op het beeld van Constant Permeke, dat aan de oever van de Steenhouwersdijk ligt. Volgens de Griekse mythe vloeien de eeuwige tranen van Niobe tot een rivier. Op de Burg stappen we het stadhuis binnen om op het gelijkvloers een afbeelding van de voormalige waterhallen te bekijken. We wandelen nog even door tot op de Grote Markt, waar Jo me wijst op een opmerkelijke windroos. ‘Die werkt nog altijd, je bevindt ze op het oudste huis van Brugge. Het was een belangrijke indicatie voor zeelui die over Damme de stad binnen- en buitenvoeren. Zo wisten ze hoe ze de zeilen moesten hijsen.’

Het stillere stuk

We verlaten het monumentale hart van de stad en wandelen verder het stille Brugge. ‘Minder toeristisch, maar historisch gezien zeker niet minder interessant’, aldus Jo. Aan het Jan Van Eyckplein is ze er weer! De Reie toont opnieuw haar gezicht. De Poortersloge torent hoog boven de huizenrij uit. Het slanke torentje was een prima uitkijkpunt naar Damme en de zee. Nu is dit stuk Reie overwelfd en vormt het Jan van Eyckplein. ‘De middeleeuwse dimensie zie je hier goed: de waterweg is zeer breed en de landwegen zijn ondergeschikt. Nu zijn hier kades, maar vroeger was dit niet het geval. Menig mensen die te diep in het glas keken, zijn in het water gesukkeld. We mogen trouwens blij zijn dat we de Reie hier nog zien. In 1848 kwam men - gelukkig - één stem tekort in de gemeenteraad om haar te dempen en er de stadsschouwburg te bouwen.’ Op het midden van het plein staat een beeld van de schilder Jan van Eyck. ‘Loop er eens omheen. Je zal zien dat er op de sokkel langs de ene kant Jan staat en langs de andere kant Jean. Het beeld werd twee keer ingehuldigd: de eerste keer voor de francofone Bruggelingen, een week later voor de Vlamingen.’ We wandelen langs de kaden en we kijken even achterom naar het Jan Van Eyckplein. ‘Dit moet voor de zeelui die hier voor de eerste keer kwamen toch enorm impressionant geweest zijn: de gevels, de kleuren, de Poortersloge... Ook ik blijf keer op keer gecharmeerd door deze plaats’, aldus Jo. Ook Raymond van het Groenewoud weet deze plaats te appreciëren. Vlaanderen boven of eerder ‘van boven’, want vanuit zijn appartement kijkt hij uit op deze prachtige plaats. Het is bijna tijd om onze wandeling af te ronden, maar Jo wil nog één plaats tonen. Op de hoek van de Gouden-Handrei en de Langerei krijg ik de opdracht om alle bruggen te tellen die ik kan zien als ik een volledige omwenteling rond mijn as maak. Maar liefst zeven! Da’s een leuk afsluiter voor we café Vlissinghe, het oudste café van de stad, binnenstappen en ons opwarmen aan de stoof met een streekheerlijk biertje in de hand.

Wil je deze wandeling door Brugge ook maken? Hier vind je de complete route.

deel Artikel

Word lid voor 39€

Op zoek naar kwalitatieve invulling van je vrije tijd?

Word lid van Pasar en ontdek een wereld vol boeiende activiteiten, inspirerende reizen en gezellige samenkomsten. Met Pasar geniet je van een gevarieerd aanbod aan uitstappen en evenementen, afgestemd op jouw interesses en wensen. Sluit je aan bij onze warme community en beleef onvergetelijke momenten samen met andere enthousiaste leden.

Ga voor de Pasar-pas!

lees meer