opaalkust

Thuiskomen aan de Opaalkust

20 minuten leestijd

Aan de Franse Opaalkust, net over de grens, smelten geschiedenis en natuur samen in één prachtige historie. Ideaal om met je camper naartoe te trekken en tot rust en bezinning te komen, ontdekte Thomas De Boever. Het voelt als een warme thuis…

reportage
  • Kamperen

De Opaalkust voelt voor mij als een verlengstuk van thuis, een plek waar ik de kapen herken nog voor ik ze zie en waar de fruits de mer vers en betaalbaar blijven. Een plek waar de tijd trager beweegt. Ik ken de dorpen, de brede stranden waar het licht altijd iets anders probeert en de stille hoekjes die je pas vindt als je de toeristische paden achter je laat. Vanop Cap Blanc Nez begrijp ik telkens opnieuw waarom ik hier terugkom: omdat het uitzicht alle ruis uit je hoofd veegt. Aan de Baai van de Somme zakt de horizon telkens op een andere manier weg, meegesleurd door een getij dat hier meer bepaalt dan de mens. In Wissant jagen surfers achter de wind aan tot ze opgaan in schuim en grijze lucht. Je denkt dat je de streek kent, maar achter dat bekende decor liggen de verborgen stukken tussen de kapen en de velden, de duinen van Platier d’Oye, de vlaktes rond Oye-Plage en het achterland dat tegen de kliffen leunt. Land dat niet roept, maar dat er gewoon is, stil en onverzettelijk, grond die meer heeft gezien dan ze ooit zal vertellen. 

Achter de kustlijn

Toch stopt het daar niet. Wie zich even losmaakt van de kust merkt hoe Hauts-de-France langzaam openvouwt, hoe duinen overgaan in moerassen en valleien, hoe het zout van de lucht plaatsmaakt voor aarde en klei. Het is natuur die breed ademt en niet probeert te imponeren, maar gewoon doorgaat met wat ze altijd heeft gedaan. Dit is geen kust die zichzelf verkoopt, maar een landschap dat eenvoudigweg is wat het is. Diezelfde vastheid voel je landinwaarts, in dorpen en steden waar het leven stilaan opnieuw richting heeft gekregen. Noord-Frankrijk heeft zijn rug gerecht en dat merk je in de havens, langs de akkers en in de manier waarop mensen hun plaats innemen, minder gebukt dan vroeger, meer overtuigd van hun eigen grond. Onder die laag ligt het geheugen van deze streek, een geheugen dat ook het onze is.

Samen door de geschiedenis

De grenzen tussen Vlaanderen en Noord-Frankrijk zijn hier eeuwenlang meer verschoven dan besloten. De Bourgondiërs bestuurden ons allebei, met dezelfde vorsten, dezelfde belastingen en een gedeelde blik op de wereld. Later trokken de Spaanse Nederlanden hier voorbij, opnieuw dezelfde heerschappij over ons en hen, dezelfde kaarten die met regelmaat werden herschikt. Grenslijnen schoven hier als speelkaarten, niet omdat de mensen dat vroegen, maar omdat macht dat nu eenmaal deed. De Eerste Wereldoorlog legde hele heuvelruggen open, de Tweede Wereldoorlog plantte bunkers in duinen die daar nooit om vroegen en verder landinwaarts liggen de velden die generaties jonge mannen hebben opgenomen en nooit meer hebben losgelaten. Dit land heeft legers gezien en vlaggen die kwamen en gingen, en het heeft te veel jonge mannen achtergelaten in een strijd die nooit de hunne was, opgeofferd aan ideeën waar ze geen stem in hadden. De littekens zitten diep. De Opaalkust leeft met dat verleden en het binnenland draagt het evenzeer, een boog die zich uitstrekt van de kapen tot de Somme en verder het hart van Hauts-de-France in. Het is één geheel, een streek die schoonheid en ruigheid in dezelfde beweging toelaat. Misschien is dat waarom ik hier blijf terugkomen. Een plek die nergens doet alsof. Een kust en een binnenland die je laten kijken, ademen en onthouden. Tussen zee en land, tussen licht en littekens, een streek die je vasthoudt zonder één woord te vragen.

Net over de grens

Calais zit bij elke Vlaming in het geheugen als de plek waar je ooit de boot naar Engeland nam of waar je op weg naar ergens anders altijd even bleef hangen. Je kent de stad nog voor je er ooit echt was. Maar nog voor we Calais zelf bereiken, laten we iets achter ons dat zwaarder weegt dan de grens: de Vlaamse kust, met haar betonnen wand van appartementen en de eindeloze drukte die de horizon in klem zet. Zodra je de grens over rijdt, lijkt het landschap zelf op adem te komen en krijgt het eindelijk weer plaats om landschap te zijn. 

Net voorbij Oye-Plage opent de wereld zich in een rustige breedte. De Réserve naturelle nationale du Platier d’Oye ligt daar als een onverwacht geschenk, een mozaïek van slikken, schorren, natte weiden en lage duinen die het ritme van de kust opnieuw uitleggen. Op de parkeerplaats wacht Marie Delamaere ons op. Terreinbeheerder, met de bevoegdheid van een politieman, vastberaden zonder streng te worden en met die zachte manier van spreken die mensen hebben die de natuur beter kennen dan ze zelf beseffen. Ze begroet ons in verrassend verzorgd Vlaams, een echo van haar grootmoeder, en neemt ons mee het gebied in. Het landschap is open, eerlijk, zonder franjes. Meer dan tweehonderd vogelsoorten gebruiken dit reservegebied als tussenstop tijdens hun trek, het is een tafel die altijd gedekt staat. In de lage graslanden lopen hooglandkoeien en pony’s die zorgen voor de begrazing zodat trekvogels ruimte vinden om te landen. In de plassen spiegelen wolken zich in water dat nooit helemaal stilvalt en in het riet bewegen steltlopers en schaduwen door elkaar. Dit gebied ademt in een ritme dat niet door mensen is bepaald. De stilte is hier nooit stil. Af en toe passeren gendarmes op de dijk, alert maar rustig. Verderop lag ooit een groot deel van het vluchtelingenkamp van Calais. Vandaag zie je er niets meer van, maar Marie zegt dat het verhaal nooit volledig verdwijnt, tekenend voor een kust die tussen twee werelden in ligt. 

Als we verder rijden, op zoek naar een ander natuurgebied, verandert het decor zonder zijn karakter te verliezen. Hier liggen de bunkers van de Atlantikwall, verspreid in het gras als gevallen reuzen. Een houten pad leidt naar de grootste bunker, een massief blok beton dat tegelijk onwrikbaar is en bijna absurd, midden in zoveel natuur. Marie vertelt hoe hier vroeger delen van het vluchtelingenkamp stonden, hoe de druk sindsdien is afgenomen maar nooit helemaal weg zal zijn. Het blijft een plek waar natuur en geschiedenis elkaar raken zonder elkaar te begrijpen. 

Tussen twee kapen

En dan is er Calais zelf. De stad voelt anders dan vroeger, iemand heeft er de ramen opengezet. De draak, de grote mechanische creatie die zich door de straten beweegt, is uitgegroeid tot een mascotte die tegelijk speels en trots oogt. Langs de dijk is het licht, levendig, heropgefrist en de stad lijkt opnieuw naar de zee te kijken. Het voelt ongecompliceerd, een plek waar je zonder haast wandelt en waarin je de sporen van het verleden niet negeert, maar ze ook niet meer ziet wegen zoals vroeger. Vanuit Calais volgen we de kustlijn verder naar het zuiden. Cap Blanc Nez duikt op als een hoge, krijtwitte wand die het licht bijna opslorpt. Het is een plek die iedere Vlaming meent te kennen, maar wanneer je er echt staat, boven op die richel, begrijp je pas hoe groot de lucht hier is. Het Kanaal ligt onder je als een bewegende spiegel, ferries schuiven er strepen doorheen en de wind trekt langs je heen alsof hij hier al eeuwen dezelfde route volgt. Het licht verandert met elke minuut: scherper, harder, zachter, altijd anders dan je dacht. Iets verder, in dezelfde grote boog, ligt Cap Gris Nez, lager en aardser, dichter bij het water. Hier voel je hoe het landschap in lagen is opgebouwd, hoe wind, krijt en tijd samenwerkten om twee kapen te maken die elk hun eigen karakter hebben. Ze staan als twee wachters over het Kanaal, herkenbaar voor elke Vlaming, maar pas echt indrukwekkend wanneer je opnieuw merkt dat sommige plekken niet wennen, hoe vaak je ze ook ziet. 

Mee met de wind

Eens je die achter je laat, voelt Boulogne-sur-Mer als een overgangsplek, een stad waar de kust breder wordt en waar de wind ruimte krijgt om van richting te veranderen zonder dat iemand het hem kwalijk neemt. De camperplaats aan de Boulevard Sainte-Beuve ligt vlak bij de zee, een eenvoudige strook waar je stad en water naast elkaar voelt zonder dat één van de twee de overhand neemt. De kust schuift hier zacht in en uit beeld; een achtergrond die zich nooit opdringt, maar altijd aanwezig blijft. Verder naar het zuiden krijgt het landschap een ander tempo. De valleien, moerassen en duingebieden vormen een lange, ademende flank die langzaam afbuigt richting Étaples en Le Touquet. Hier mondt de Canche uit in haar eigen estuarium, de Baai van de Canche: een kleiner, maar rijk natuurgebied dat losstaat van de veel grotere Baai van de Somme, verder naar het zuiden. Dit is een kuststuk dat tegelijk open en geconcentreerd aanvoelt, met hoge graslanden, kreken die als nerven door het landschap lopen en zandbanken die bij elke getijbeweging opnieuw worden getekend.

Van trekvogels en zeehonden

Op die zandbanken rusten vaak zeehonden, meestal twee soorten. De grijze zeehond, groter en hoekiger, en de gewone of havenzeehond, kleiner en ronder, met een blik die altijd iets leest wat wij niet zien. Vanuit de verte lijken het gewoon grijze vormen die opwarmen in de zon, maar zodra ze bewegen wordt duidelijk dat dit hun plek is en dat wij slechts passeren, op veilige afstand. In dit landschap ontmoeten we Frédéric Caloin van de Afdeling Duurzame Ontwikkeling en Milieueducatie. Hij legt het gebied niet uit, hij leest het. Hij wijst op details die je anders nooit zou opmerken: hoe vogels zich verplaatsen met de windrichting, hoe het estuarium zich bij elk getij opnieuw vormt, hoe zeehonden en trekvogels de ritmes van de kust volgen alsof het een taal is die alleen zij begrijpen. Vogels zijn hier geen uitzondering maar de regel. De natuurkernen langs deze kustlijn, zegt Frédéric, horen bij elkaar als losse kralen die hetzelfde snoer nodig hebben. En in dat snoer vormt de Baai van de Canche één van de belangrijke schakels.

Diep onder de indruk…

Vanuit die open natuur stappen we een heel andere stilte binnen: die van de Étaples British Cemetery. Marianne Steenbrugge, Heritage Conservation Officer, wacht ons op. De begraafplaats ligt breed tegen de helling, open en ordelijk, maar onder die rust schuilt een geschiedenis die zwaar blijft, zelfs op heldere dagen. Étaples lag tijdens de Eerste Wereldoorlog net achter de frontlinie en groeide uit tot een van de grootste medische zones van het hele Westelijk Front. De gewonden die de frontlijn haalden, maar het herstel niet, liggen hier in lange rijen. Étaples lag tijdens de Eerste Wereldoorlog net achter het front en groeide uit tot een van de grootste medische zones van het hele Westelijk Front. In de vallei stond een aaneenschakeling van veldhospitalen waar dag en nacht gewonden werden opgevangen: mannen die door gas, granaatscherven, infecties of van pure uitputting geen stap verder konden. Het lawaai van de oorlog hoorde je hier niet meer, maar de gevolgen ervan lagen er in rijen te wachten. Hier liggen niet alleen slachtoffers van de grote offensieven, maar ook soldaten die pas weken of maanden na de wapenstilstand stierven. Jongens die het einde hadden gehaald, maar niet het herstel. longen die door gas waren dichtgeschroeid, lichamen die te veel hadden gezien en te weinig konden dragen. In de rijen witte stenen staat dat allemaal samengepakt: dezelfde data, dezelfde regimenten, dezelfde leeftijden die te jong zijn om te bevatten. De orde van de graven staat in contrast met de chaos waarin deze mannen hun laatste uren doorbrachten. Het hele landschap rond het kerkhof voelt ingetogen, alsof hier nog altijd een rest van concentratie hangt… 

opaalkust

De Fransen en de Engelsen

De stilte van Étaples blijft nog even hangen, maar verandert zodra het landschap richting Montreuil-sur-Mer trekt. De stad ligt hoog op een natuurlijke richel boven de vallei van de Canche, een ligging die haar al sinds de Middeleeuwen strategisch gewicht geeft. In die tijd was Montreuil nog een kust- en havenstad, omdat de Canche toen verder landinwaarts bevaarbaar was. Later slibde de riviermonding dicht. De zee trok zich langzaam terug en de havenfunctie verdween. Wat bleef, was het belang. Franse koningen versterkten de stad, Engelsen probeerden haar in te nemen en in de zeventiende eeuw tekende Vauban de vestingen opnieuw, met zijn geometrische logica en zijn geloof in muren die meer wisten dan mensen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos het Britse expeditieleger Montreuil-sur-Mer als hoofdkwartier, niet om haar grootte, maar om haar overzicht, haar hoogtedominantie en haar bereikbaarheid. Je komt een stad binnen waar geschiedenis zich niet opdringt maar aanwezig is, als een laag die vanzelf meeloopt. Jean-Marie wacht ons op aan L’ANECDOTE en neemt het ritme meteen over. Hij praat niet alsof Montreuil hem toebehoort, eerder alsof hij haar al een leven lang leest. We volgen hem door geplaveide straten waar de gevels zacht licht vangen en waar het tempo vanzelf vertraagt. De Église Saint-Saulve staat er als een samengeperste tijdslijn, romaans en gotisch onder hetzelfde dak. Niet ver daarvandaan ligt de Chapelle Saint-Nicolas, een eenvoudige witte kapel uit de zeventiende eeuw die meer wegheeft van een rustpunt dan van een monument. Ze ligt aan de rand van de bovenstad, vlak bij de vestingwerken, op een plek waar je vanzelf trager begint te stappen. 

In L’ANECDOTE leren we de stille precisie van Alexandre Gauthier kennen. Zijn gerechten zijn precies, helder, zonder theatrale opbouw. Ze landen rustig, alsof ze vooral willen overtuigen door eerlijkheid. Het past perfect bij de ingetogen elegantie van de stad. En zoals overal in dit deel van Hauts-de-France valt ook hier op hoe goed en betaalbaar er wordt gekookt. Geen opsmuk, geen gejaag, alleen vakmanschap dat zich niet anders voordoet dan het is. Het lijkt een regionale karaktertrek: eten dat recht door zee is, zonder poeha maar altijd raak. Jean-Marie neemt ons daarna mee naar de vestingmuren. De bastions liggen breed rond Montreuil en geven zicht op de vallei en de velden die in lange lijnen wegtrekken. Hier wordt alles tijdelijk lichter. De geschiedenis is nooit weg maar staat even op afstand. Elders in de streek wacht ze opnieuw, maar Montreuil laat eerst toe dat de wereld rustig ademhaalt.

Mee met de stroming

Als we Montreuil-sur-Mer achter ons laten schuift de geschiedenis naar de achtergrond. Het is tijd om opnieuw naar de natuur te gaan, naar de zee en haar kracht. Berck-sur-Mer kondigt zich niet aan met gebouwen, maar met een kust die zich meteen open toont. Aan de rand van het strand wacht Jonathan BEIA van Baie Trails. Hij kent dit stuk kust en richt onze blik op wat er leeft: de stroming, het licht, de beweging van de zee. We stappen het strand op richting de Baie d’Authie, de brede monding tussen Berck-sur-Mer en Fort-Mahon-Plage. Ook hier herschikt de kust zichzelf, verplaatst zand met elke beweging van het water en laat het verderop opnieuw neerstrijken. Verderop bewegen enkele grijze vormen door het water. Geen stenen, geen schimmen. Jonathan hoeft niks uit te leggen. Hij herkent ze meteen. Zeehonden. Een populatie die hier bijna volledig verdwenen was. Jonathan vertelt hoe er in de negentiende en vroege twintigste eeuw nog grote groepen lagen, maar jacht, verstoring en vervuiling deden de aantallen krimpen tot op het randje van verdwijnen. Tegen het midden van de twintigste eeuw bleven er in heel Noord-Frankrijk nog amper zeehonden over. Pas toen de jacht in de jaren zeventig werd verboden, de kustgebieden officieel bescherming kregen en de Baie d’Authie onder het Conservatoire du Littoral een echte rustzone werd, begonnen de eerste dieren langzaam terug te keren. Het herstel kwam stap voor stap, maar het kwam. We zien de zeehonden terwijl ze jagen, niet liggend op zandbanken deze keer maar in beweging. Ze verschijnen in korte, snelle bogen, verdwijnen onder het wateroppervlak en komen weer boven, soms op nauwelijks vijftien meter van het strand. Geen grote sprongen, geen show. Ze lezen de stroming en gebruiken ze. Jonathan legt uit hoe deze dieren exact weten waar de vis zit, hoe ze de getijdenlijnen volgen en hoe elke verplaatsing doordacht is, zelfs als het er loom uitziet. Dicht genoeg om hun vorm te zien, ver genoeg om te voelen dat dit volledig hun wereld is. We blijven bij hen staan terwijl de zee haar land terugneemt. Hun bewegingen zijn traag en doelgericht. Berck-sur-Mer voelt hier minder als badplaats en meer als grensgebied tussen twee ritmes: het menselijke dat voortdurend vooruit wil, en het natuurlijke dat blijft waar het altijd stond.

Vrij als een vogel

Voor we opnieuw neerstrijken in de plekken waar de oorlog zich in het landschap heeft vastgebeten, zoeken we eerst de meest open rust die de streek te bieden heeft. In Saint-Quentin-en-Tourmont, aan de rand van Parc du Marquenterre, wordt de wereld opnieuw stil. Geen namen in steen, geen data die wegen. Alleen duinen, rietvelden en een lucht die laag en breed boven alles ligt. Aan het Maison du Parc du Marquenterre ontmoeten we Hugues Delhaye. Hij beweegt door het gebied met korte, precieze observaties, alsof hij voortdurend op signalen reageert die wij niet eens horen. Hij leidt ons naar een houten observatiepost waar onderzoekers zangvogels ringen. Het gebeurt snel en geconcentreerd: vangen, meten, wegen, registreren, vrijlaten. Een systeem dat even laat meekijken hoe de natuur haar eigen ritme behoudt. Hugues vertelt hoe dit landschap lange tijd menselijk gebruikt werd. Op de polders die in de jaren vijftig op de zee werden gewonnen begon men tulpen te kweken. Het was landbouw, maar op een plaats die al gevoelig was voor het water. Toen de tulpenhandel tegenviel, werd het terrein langzaam omgevormd tot natuurpark en in 1973 officieel geopend. Het park is sindsdien uitgegroeid tot een toevluchtsoord voor trekvogels die elders nauwelijks veilige grond vinden. Hier verandert het landschap niet op het ritme van de zee maar op dat van licht, wind en seizoenen. Rietvelden drogen op of lopen vol, duinranden verplaatsen zich in kleine beetjes en waterplassen trekken zich terug om verderop opnieuw te ontstaan. Het blijft een gebied dat nooit twee keer hetzelfde toont. Daarachter strekt de Baai van de Somme zich uit als een brede ademhaling. Water, licht en slik wisselen voortdurend van verhouding. Je ruikt de zee nog voor je haar ziet, je hoort de vogels nog voor je ze vindt. Het is geen rust die beschermt, maar rust die dingen op hun plaats zet, een helderheid. Verderop in hetzelfde landschap wachten de heuvelruggen, de namen en de verhalen die in aarde en steen vastliggen. Die komen straks. Hier, in Marquenterre en aan de Baai van de Somme, krijgt de wereld eerst nog even de tijd om stil te worden.

Landschap wordt verhaal

Na Marquenterre verschuift de cadans. De rustige adem van de baai wordt ingeruild voor een gebied waar geschiedenis onder je huid kruipt. De stilte krijgt hier een andere kleur, minder natuurlijk en meer gedragen. Bij Le Belvédère de Frise, hoog boven de Haute-Somme, rijzen de heuvelruggen op waar de oorlog zich vastzette in lijnen die nog altijd leesbaar blijven. Vanaf de hellingen zie je hoe het land naar beneden zakt in brede waterpartijen, plassen die in de laagte blijven liggen en de contouren volgen van de Haute-Somme. Ze liggen daar stil en open, maar hun aanwezigheid toont hoe dit terrein ooit is omgewoeld en daarna opnieuw vorm kreeg. Hier neemt Carole Laevens van Somme Memory Tours ons mee door het gebied. Ze gidst zonder nadruk, omdat het terrein zelf het verhaal vertelt. In de vormen van de heuvels zie je hoe dicht de frontlijnen bij elkaar lagen, soms nauwelijks vijfentwintig meter. Een afstand die je in een halve sprint overbrugt maar die toen het verschil betekende tussen leven en verdwijnen. De ruggen lijken zacht en onschuldig maar hun lijnen volgen logica’s die uitsluitend in oorlog bestaan. We rijden verder door een streek die bezaaid ligt met begraafplaatsen. Wat hier een kleine begraafplaats heet telt drie- tot vierduizend doden. De ironie is pijnlijk. Rijen witte stenen die zich herhalen tot je ze niet meer afzonderlijk leest maar als één massale aanwezigheid. Het landschap eromheen is mooi en stil, bijna vriendelijk, maar precies dat maakt de ernst groter. Niets wordt hier toegedekt. De natuur verbergt niet, ze toont. De heuvelrug van Vimy verschijnt in nevel. Het Canadian National Vimy Memorial staat boven op de rug alsof het uit de kalksteen zelf is gegroeid. Twee hoge zuilen rijzen op uit een brede sokkel, elk hoger dan je verwacht wanneer je ernaartoe wandelt. Ze vertegenwoordigen Frankrijk en Canada, verbonden in stilte. Aan de voet staan gebeeldhouwde figuren die geen heldendom verkondigen. De bekendste, Canada Bereft, kijkt gebogen uit over het terrein, een vrouw die rouwt om zonen die nooit terugkeerden. Niets aan dit monument wil iets verdoezelen. Het toont wat oorlog kost, niet wat ze zogezegd oplevert. Op de muren rond de sokkel staan meer dan elfduizend namen van Canadese soldaten zonder gekend graf. Je leest er een paar, tilt je hoofd op en ziet dat je nog niet aan de eerste wand begonnen bent. De namen golven verder, een generatie die alleen door steen kon worden tegengehouden van opnieuw uit het geheugen te worden gewist. Rond het monument liggen loopgraven en kraters die als littekens in het gras liggen. De honderd jaar ertussen hebben niets gladgestreken. Hier zie je niet alleen wat er gebeurde, je ziet ook wat de aarde ervan heeft overgehouden. Niet ver hiervandaan ligt Arras, een stad die vandaag licht en elegant oogt maar onder alles dezelfde breuklijn draagt. De Grote Markt en de barokke gevelrijen glanzen als façades van een nieuw hoofdstuk, maar onder de stenen schuilt een netwerk van Wellington Tunnels, kilometers ondergrondse gangen waar duizenden soldaten zich verzamelden voor de aanval van april 1917. Je loopt door ruimtes die te laag zijn om rechtop in te staan en voelt hoe nabij die oorlog eigenlijk was. Boven is Arras warm, levendig, bijna achteloos mooi. Onder de grond is het een geheugen dat weigert te verdwijnen.

Witte golven, witte kruisjes

Na de Canadese waanzin van Vimy wacht nog een andere stilte. Een die breder draagt en die je niet kunt wegkijken. Op de heuvel van Notre-Dame-de-Lorette strekt het grootste Franse militaire kerkhof zich uit, een veld van witte kruisen dat zich over de helling vouwt en in het licht verschuift als een golvende huid. Duizenden stenen, elk voor een familie die nooit helemaal herstelde. Hier liggen vaders en zonen, soms letterlijk naast elkaar: één gevallen in 1915, de andere in 1940. Twee oorlogen, twee generaties, dezelfde afgrond. Je wandelt tussen die rijen en voelt hoe absurd het wordt wanneer politiek, macht of ideologie beslist dat jongeren elkaar moeten doden voor iets dat nooit iemand vooruithelpt. Even verder, op de rand van dezelfde heuvelrug, staat L’Anneau de la Mémoire. Vanop het pad zie je hoe de ring zacht in het landschap is gelegd, boven een vallei die openwaait naar de horizon. De metalen panelen lijken dun, bijna fragiel, maar ze dragen 579.606 namen, Fransen, Duitsers, Britten, Indiërs, Belgen, allemaal alfabetisch naast elkaar, zonder rang, zonder vijandschap. Het is een geometrie van verlies. Je ziet mensen traag langs de panelen schuiven, zoeken naar een naam, een echo, een verband. En terwijl je kijkt naar die opsomming van verdwenen levens besef je opnieuw hoe klein de verschillen zijn die we soms tot oorlog laten uitgroeien. In het licht van die ring valt elke heroïek weg. Er is niets edels aan oorlog, niets dat de moeite waard was voor de mensen die hier worden herdacht. Alleen gezinnen die hun kinderen verloren, generaties die zijn weggerukt en een landschap dat nog altijd de littekens draagt van een waanzin die door mensen werd bedacht en door jongeren werd betaald. Je hoopt dat het genoeg is dat hun namen hier blijven staan, dat het de wereld eraan herinnert hoe snel ze opnieuw dezelfde fouten kan maken.

Een stukje Nieuw-Zeeland…

Het ARAWATA Museum brengt een ander perspectief. Het ligt in Le Quesnoy, een dorp dat in 1918 door Nieuw-Zeelandse soldaten werd bevrijd en sindsdien een bijzondere band met het land onderhoudt. Het museum zelf zit in een historisch huis in het centrum, opgezet door Nieuw-Zeelanders als een stille hulde aan die bevrijding. Geen theatrale opstelling, geen bombastische scenografie. Voorwerpen liggen er in hun eenvoud: een helm, een drinkfles, een brief, lichte uniformstof die een eeuw stilte heeft meegedragen. Het museum vertelt zonder te verheffen. Het laat zien wat achterbleef en waarom het ertoe doet. De kracht zit in de terughoudendheid. En dan wordt opnieuw duidelijk waarom deze streek blijft trekken. Niet alleen door de kapen, de duinen, de baai of het licht dat telkens verandert. Maar omdat alles hier samen blijft staan. Schoonheid die niets verbergt. Geschiedenis die niet wordt weggestopt. Natuur die zich herstelt maar niet vergeet. Het is een landschap dat je moeiteloos van stilte naar littekens en terug laat wandelen zonder dat één laag de andere overstemt. Daarom kom je terug. Omdat deze streek weigert te kiezen tussen licht en zwaarte. Omdat ze toont wat was zonder te duwen of te overtuigen. Omdat je hier telkens opnieuw wordt herinnerd aan wat mensen kunnen maken en aan wat een landschap daarvan overhoudt. De Opaalkust en het binnenland van de Somme doen niet alsof. Ze ademen, dragen en onthouden. En misschien is dat precies waarom deze streek zich zo vastzet. Je keert terug omdat alles hier blijft liggen zoals het is. Een waarheid die niet schreeuwt. Een landschap dat niet vergeet. Een stilte die nergens stil is.

Met de camper naar de Opaalkust 

De Cöte d’Opale en het binnenland van de Somme lijken gemaakt voor wie onderweg wil zijn. Afstanden blijven haalbaar, de kuststrook loopt als een logisch lint van natuurgebieden en dorpen, en de infrastructuur volgt zonder gedoe. De camperplaatsen zijn vaak verrassend goed gelegen: in Boulogne-sur-Mer sta je met zicht op zee en toch dicht bij het centrum, in Arras vind je een van de beste camperplaatsen die ik ooit bezocht heb, een plek die rust geeft en toch vlak bij de Grote Markt ligt. Het is een streek die reizigers niet tegenwerkt aar meebeweegt, waar water, licht en landschap vanzelf richting geven aan de dag.

Deze reis toont perfect wat de Belgian Caravan-Camping and Motorhome Association wil tonen: dat reizen met een motorhome of caravan geen beperking is maar een manier van bewegen die perfect aansluit bij regio’s als deze. De vrijheid van je eigen tempo, de nabijheid van natuur, het gemak waarmee je van kust naar binnenland schuift, het klopt hier allemaal. Het landschap dwingt niet, het nodigt uit. Daarom voelt reizen met een camper in deze streek nooit als zoeken, maar als thuiskomen.

Net over de grens, ideaal voor een (lang) weekend weg: handige tips voor een trip naar de Opaalkust vind je via de online reiswijzer.

Met dank aan de Belgian Caravan-Camping and Motorhome Association
opaalkust

deel Artikel

Meer inspiratie

zilvermeer
actua
Lees meer
  • Kamperen
  • Wandelen
5x campings waar je heerlijk kan winterwandelen!
Word lid voor 39€

Op zoek naar kwalitatieve invulling van je vrije tijd?

Word lid van Pasar en ontdek een wereld vol boeiende activiteiten, inspirerende reizen en gezellige samenkomsten. Met Pasar geniet je van een gevarieerd aanbod aan uitstappen en evenementen, afgestemd op jouw interesses en wensen. Sluit je aan bij onze warme community en beleef onvergetelijke momenten samen met andere enthousiaste leden.

Ga voor de Pasar-pas!

lees meer